Collegiale uitleen komt in veel organisaties voor. In ziekenhuizen zie je het regelmatig, maar ook in andere sectoren: tijdelijk een medewerker “uitlenen” om een piek op te vangen of een kritieke bezetting rond te krijgen. Met de komst van de WTTA verandert de context. Vanaf 2027 komt er een toelatingsstelsel voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten. Dat roept een praktische vraag op: valt collegiale uitleen straks onder de WTTA en wanneer is het nog toegestaan zonder toelating?
1. Wat is collegiale uitleen in de praktijk?
Collegiale uitleen betekent doorgaans dat een werkgever tijdelijk een eigen werknemer inzet bij een andere organisatie. De werknemer blijft in dienst bij de uitlenende organisatie, maar werkt voor een periode op locatie of in het proces van de inlenende organisatie.
In de praktijk wordt collegiale uitleen vaak gezien als “hulp onderling”, zeker in sectoren waar continuïteit cruciaal is. Maar juridisch is het belangrijk om één kenmerk scherp te hebben: leiding en toezicht.
2. Waarom collegiale uitleen vaak óók terbeschikkingstelling is
Zodra een werknemer tijdens de inzet werkt onder leiding en toezicht van de inlener, is er al snel sprake van terbeschikkingstelling. Dat is relevant omdat de WTTA precies op dit soort constructies ziet.
Veel organisaties denken: “maar het is collegiaal, dus dat zal wel buiten de regels vallen.” Dat klopt niet automatisch. De kwalificatie hangt af van de feitelijke situatie: wie stuurt aan, wie bepaalt de werkzaamheden, wie draagt verantwoordelijkheid op de werkvloer?
3. WTTA in één zin: wat verandert er?
De WTTA introduceert een toelatingsstelsel voor partijen die arbeidskrachten ter beschikking stellen. Het idee is dat organisaties die structureel personeel uitlenen aan derden aan voorwaarden moeten voldoen en toegelaten moeten zijn.
Daarbinnen wordt een uitzondering genoemd die voor collegiale uitleen relevant is: collegiale uitleen zonder winstoogmerk.
4. De uitzondering: “zonder winstoogmerk”
De randvoorwaarde zit in de vergoeding
De kern van de uitzondering is niet hoe sympathiek de intentie is, maar of er sprake is van winstoogmerk. In de praktijk draait dit vooral om de vraag: wat factureer je?
Collegiale uitleen zonder winstoogmerk betekent dat de vergoeding kostendekkend is. Er mag hooguit een beperkte opslag worden gerekend voor administratieve afhandeling. Zodra er meer dan kosten worden doorbelast, of er structureel een marge op zit, wordt het al snel een commerciële uitleenconstructie en daarmee een ander speelveld.
5. Wat kun je nu al doen als organisatie?
Zonder meteen in juridische teksten te duiken kun je collegiale uitleen alvast “WTTA-proof” organiseren met een paar praktische stappen:
- Maak inzichtelijk waar collegiale uitleen voorkomt Wie leent uit, aan wie, hoe vaak, en met welke functies?
- Maak één rekenwijze voor facturatie Leg vast wat kostendekkend betekent binnen jouw organisatie.
- Leg de opslag vast en onderbouw deze Hou het beperkt en transparant.
- Borg dat de werknemer in dienst blijft bij de uitlener En leg rollen/ verantwoordelijkheden duidelijk vast.
- Zet eigenaarschap neer Wie beoordeelt en monitort collegiale uitleen?
6. Conclusie
Collegiale uitleen kan ook onder de WTTA-context vallen, omdat leiding en toezicht bij de inlener ligt en het daarmee vaak terbeschikkingstelling is. De uitzondering “zonder winstoogmerk” biedt ruimte, maar alleen als de vergoeding echt kostendekkend is met hooguit een beperkte opslag voor administratie.
De belangrijkste vraag is dus niet: doen we collegiale uitleen?
Maar: hoe is het ingericht en wat brengen we in rekening?