De handhaving op schijnzelfstandigheid blijft een actueel en gevoelig onderwerp. De afgelopen periode zorgde nieuwe berichtgeving voor onrust, mede doordat de Tweede Kamer aandrong op verlenging van de zogenoemde ‘zachte landing’. Die motie is aangenomen, maar door de staatssecretaris slechts gedeeltelijk uitgevoerd.

Dat vraagt om nuance. Want 2026 kent geen alles of nietssituatie, maar een gefaseerde handhaving.

Twee fases in 2026

Voor de handhaving op schijnzelfstandigheid is 2026 op te delen in twee duidelijke periodes.

Fase 1: 1 januari tot en met 31 maart 2026
In deze periode geldt extra terughoudendheid:

er worden geen verzuimboetes opgelegd;
de Belastingdienst start in beginsel met een bedrijfsbezoek;
vergrijpboetes zijn wél mogelijk.


Fase 2: vanaf 1 april 2026

Vanaf dit moment vervalt de extra coulance:

verzuimboetes kunnen weer worden opgelegd;
vergrijpboetes blijven mogelijk;
de handhaving is dan volledig ‘normaal’.

De datum 31 maart 2026 is dus geen eindpunt van handhaving, maar het moment waarop ook de laatste terughoudendheid verdwijnt.

Het verschil tussen verzuim en vergrijp

Dat onderscheid is cruciaal om de handhaving goed te begrijpen.

Verzuim
Verzuim gaat over onjuist, onvolledig of te laat handelen zonder opzet. Bijvoorbeeld wanneer loonheffingen niet correct zijn aangegeven door onduidelijke afspraken of gebrekkige vastlegging.
Tot en met 31 maart 2026 worden hier geen verzuimboetes voor opgelegd. Vanaf 1 april 2026 kan dat weer wel.

Vergrijp
Bij vergrijp is sprake van opzet of grove schuld. Denk aan situaties waarin bewust risico’s worden genomen of structureel wordt gewerkt met constructies die feitelijk niet passen bij zelfstandig ondernemerschap.
In deze gevallen kan een boete worden opgelegd tot 100% van de niet betaalde loonbelasting. Ook na matiging blijft minimaal 25% over. In ernstige situaties kan zelfs strafrechtelijke vervolging aan de orde zijn.

Dit maakt de handhaving in 2026 wezenlijk scherper dan in 2025.

Waar ligt de focus van de handhaving?

De Belastingdienst richt zich niet op incidentele fouten, maar op patronen. De aandacht ligt met name bij:

langdurige en structurele zzp-inzet;
functies die feitelijk sterk lijken op loondienst;
situaties zonder duidelijke onderbouwing;
partijen die bewust risico’s blijven nemen.

Het doel is het tegengaan van oneerlijke concurrentie, niet het bestraffen van goedwillende organisaties die zorgvuldig handelen.

Wat betekent dit voor zorgorganisaties?

In de zorg is zzp-inzet vaak geen bewuste keuze, maar een gevolg van arbeidsmarktkrapte. Juist daarom is het belangrijk om goed inzicht te hebben in:

wie extern wordt ingezet;
onder welke contractvorm;
hoe lang en waarom deze inzet nodig is.

Niet om zzp-inzet onmogelijk te maken, maar om deze uitlegbaar en aantoonbaar zorgvuldig te organiseren.

Geen paniek, wel regie

De handhaving in 2026 vraagt geen rigoureuze stop op zzp-inzet. Wat wel nodig is, is regie: overzicht, vastlegging en bewuste keuzes. Organisaties die dit op orde hebben, kunnen ook na 31 maart 2026 laten zien dat zij zorgvuldig omgaan met externe inhuur.